Blog

LHBT’er zoekt veilige haven

Mijn gastblog voor Niets Nieuws:

Enkele dagen na de gruwelijke schietpartij in gayclub Pulse in Orlando las ik een reactie van Daniel Leon-Davis, één van de vaste bezoekers van de club. Halverwege zijn betoog bleef ik hangen bij een zin: “While a lot of people turn to churches, LGBT communities are often forced to use nightclubs as our safe haven, and Pulse was mine.” De kerk als veilige haven voor velen, maar niet voor de LHBT-gemeenschap? […]

Lees verder bij Niets Nieuws

Advertenties

Een nieuw begin

Soms heb je behoefte aan een nieuw begin. Zo had ik dat in december, ruim een maand nadat het bestuur van mijn studentenvereniging in Antwerpen had besloten dat ik geen bijbelkringleider meer mocht zijn. De reden? Het feit dat ik homo ben, in combinatie met het standpunt dat ik daarover inneem. Kortom, afgewezen om wie ik ben en wat ik vind (door andere ook wel omschreven als ‘een bewuste keuze voor een zondige levensstijl’, maar ik prefereer toch mijn eigen omschrijving).

Ik zal de details hier laten voor wat ze zijn, maar in de kern komt het erop neer dat ik ineens werd geconfronteerd met een reeds genomen beslissing, waar een urenlange discussie geen verandering in kon brengen. Dat het uit oprechte goede bedoelingen voortkwam kon de intense pijn niet verzachten, en maakte de situatie enkel maar complexer. De woede keerde zich vervolgens allereerst naar de mensen die dit in de naam van God nodig achtten, en vervolgens richting God die dat kennelijk niet had willen verhinderen.

Die woede werd versterkt door de verhalen van anderen die ik ook dit jaar weer hoorde. Soms direct – naar aanleiding van een blog of in andere gesprekken – en soms via anderen. Iemand die me vertelde niet meer naar de kerk te gaan sinds zijn coming out, omdat hij zich daar niet meer veilig voelt. Iemand die in zijn gemeente niet eens uit de kast durft te komen, vanwege de onveilige sfeer. Jongeren die de kerk vaarwel zeggen omdat ze er een andere visie op nahouden als het gaat om de ruimte voor het aangaan van een relatie.

En intussen zijn kerken vooral bezig met een verwoede standpuntendiscussie. Want zolang het juiste standpunt maar is ingenomen, zal het verder allemaal vanzelf wel goedkomen, zo lijkt de leidende gedachte. Dat homojongeren significant vaker met zelfmoordgedachten rondlopen? Dat christelijke homo’s gemiddeld drie jaar langer nodig hebben om uit de kast te komen? Dat nog steeds zoveel homo’s de kerk verlaten? Weinig behoudende kerken lijken doordrongen van het feit dat een standpunt innemen gepaard gaat met een enorme verantwoordelijkheid betreffende de hier genoemde kwesties.

Het zijn van die momenten dat ik even weinig moet hebben van het geloof. Maar goddank is dat niet alles. Dan staat er ineens een broeder in het geloof naast je, die zijn arm om je heen slaat en zegt: ‘Ik sta achter je, houd je rug recht!’ Of krijg je in een week tijd ineens van twee christelijke studentenverenigingen een uitnodiging om mee te werken aan een gespreksavond over homoseksualiteit. Of gaat op een familiebijeenkomst de Bijbel open, en klinken er plots rake woorden: ‘Blijf niet staan bij wat er is gebeurd. Laat het verleden rusten.’ En: ‘Er komt iets nieuws’.

Een nieuw begin. Precies waar ik naar verlangde. Niet voor het eerst trouwens. Zo las ik deze week aantekeningen terug uit de tijd dat ik bezig was met mijn coming out proces (ik zit midden in mijn lustrumjaar; festiviteiten tot eind mei…). Ook daarin klonk, vaak door de onzekerheid en pijn heen, het verlangen naar een nieuw begin. Zelfs met exact diezelfde woorden van een oudtestamentische profeet. ‘Er komt iets nieuws’.

Toen ik dat zo teruglas besefte ik dat het nog waar was geworden ook. Dat vertrouwen en hoop gewonnen hadden van het duister. Dat ik door de jaren heen ook zoveel mooie dingen en hoopvolle initiatieven had gezien in heel veel kerken en christelijke verenigingen. Dat ik als voorlichter merkte hoe docenten zich keihard inzetten voor een veilige school voor homojongeren. Dat ik mezelf volledig had durven accepteren, en er daarmee ook ruimte was gekomen om vele anderen onvoorwaardelijk te accepteren.

En daarom schrijf ik vandaag dit verhaal. Voor alle jongeren die nog in de kast zitten. Voor jongeren die er net met veel moeite uit zijn. Voor wie met zichzelf of zijn omgeving overhoop ligt om het simpele feit van wie je bent of wat je vindt. Voor wie de hoop soms verliest. Om dit te zeggen: er komt iets nieuws. It gets better!

Een nieuw begin betekent niet dat dan voor altijd alle problemen opgelost zijn – zoveel is mij wel duidelijk geworden na de uiterst pijnlijke episode waar ik dit verhaal mee begon. Maar profetische woorden dienden zich opnieuw aan, en bleken wederom waar te zijn. Door mensen die opschrokken, en mensen die naast me kwamen staan (ook bij diezelfde vereniging – moge dat duidelijk zijn!). Alleen samen met die mensen is verandering mogelijk. Want dat nieuwe begin is evenzeer een opdracht als een belofte. En daarom: sta op, recht je rug. Blijf niet staan bij wat er is gebeurd en laat het verleden rusten. Er zijn er nog zoveel die wachten op iets nieuws!

Beeld: rbbaird

#kominverzet

Europa staat voor een grote uitdaging. De aanhoudende vluchtelingenstroom en de toenemende druk op de buitengrenzen van de Europese Unie heeft de Europese solidariteit de afgelopen maanden zwaar op de proef gesteld. Een verhit politiek debat, op vrijwel alle bestuurlijke niveaus, was het gevolg. Waarbij termen als ‘humane opvang’ en ‘solidariteit’ werden afgewisseld met ‘aanzuigende werking’ en draagvlak’.

Over dat laatste gesproken: deze week nog waren we getuige van een extreem protest tegen de komst van een asielzoekerscentrum in Geldermalsen. #kominverzet, luidt het credo van een groep burgers die steeds groter lijkt te worden, en zich steeds duidelijker en heftiger laat gelden. Grove insinuaties aan het adres van vluchtelingen en aantoonbaar onjuiste bangmakerij niet geschuwd werden. In de media en politiek staan ze inmiddels te boek als ‘bezorgde burgers’ gesproken. Hebben ze een punt?

Ja, er zijn ‘bezorgde burgers’. En zeker, geen enkel geluid uit de samenleving mag op voorhand genegeerd worden door volksvertegenwoordigers en beleidsmakers. En ja, het moet voor een gemeente realistisch blijven om vluchtelingen op te vangen en een plek te geven in de lokale samenleving. En daar hoort ook bij dat gemeenten op tijd en volledig geïnformeerd worden, en dat de lokale overheid de burgers voldoende informeert.

Maar wat als het debat dan ineens gaat over de kwaliteit van de zorg, langdurige werkloosheid, het gebrek aan sociale huurwoningen? Want dat lijken vooral de pijnpunten te zijn van de ‘bezorgde burger’ – afgezien de angst omtrent veiligheid en ‘islamisering’. ‘Waarom krijgen die gelukszoekers alles, terwijl ik maar met moeite de eindjes aan elkaar kan knopen?’ zo klinkt het. Het vluchtelingenvraagstuk vormt dan eerder een bliksemafleider, dan dat het de echte oorzaak van de woede is.

We moeten de woede van deze mensen – die in veel gevallen zeer terecht is! – niet proberen af te kopen door de vluchtelingen als zondebok naar voren te schuiven. Want daarmee zijn de problemen in de zorg nog niet opgelost, hebben langdurig werklozen niet plotseling een baan en is de schaarste aan sociale huurwoningen niet ineens opgelost. Een dergelijke benadering kent dus enkel verliezers: de ‘bezorgde burger’ staat nog altijd in de kou, en een nog veel kwetsbaardere groep wordt daar het slachtoffer van.

Voor onze generatie liggen er wat mij betreft twee uitdagingen op dit moment. Allereerst zie ik het als onze morele plicht vluchtelingen als mensen te blijven zien, die niet zomaar te vangen zijn in statistieken en beleidspunten. Een goede opvang voor vluchtelingen die reeds in Nederland zijn is daar een essentieel onderdeel van. Pleidooien voor een ‘sobere opvang’ om andere vluchtelingen af te schrikken reduceren vluchtelingen tot beleidsinstrument en miskennen hun menszijn. Laten we ons daar verre van houden!

Dat betekent ook dat we in verzet moeten komen tegen het zondebok-mechanisme. Ongefundeerde angst en regelrechte haat tegen vreemdelingen mogen we nooit verwarren met ‘een gebrek aan draagvlak’. Kunnen we nog zonder schaamte het begrip ‘rechtvaardigheid’ in de mond nemen, als we niet de meest kwetsbare mensen in deze samenleving recht doen en in bescherming nemen tegen de redeloze woede van andere burgers?

De tweede uitdaging waar we voor staan is het formuleren van geloofwaardige en uitvoerbare oplossingen. Die oplossing vereist meer dan het eindeloos schipperen tussen enerzijds #refugeeswelcome en anderzijds #allegrenzendicht. En die oplossing moet zich niet blindstaren op het vluchtelingenvraagstuk, maar ook een antwoord bieden op andere problemen die ten grondslag liggen aan de maatschappelijke onrust zoals ik die hier heb geschetst.

Het wordt de hoogste tijd dat we ons bezig houden met het formuleren van creatieve, geloofwaardige en toekomstbestendige oplossingen. Het is tijd dat we in verzet komen tegen maatschappelijke onwil en politiek onvermogen. Nee, niet met spandoeken en boze tweets. Wel met inhoudelijke plannen en een gedegen toekomstvisie.

Beeld: Omroep Gelderland (screenshot)

dan maar een klein verhaal

‘Wie geeft ons weer een nieuw groot verhaal?’ Ik stelde de vraag hier enkele weken geleden. Ik was verbaasd over het gebrek aan zekerheid en relevante fundamenten in de samenleving. Verontwaardigd over de woede en emoties die de overhand namen bij discussies over vluchtelingen. En op zo’n moment denk je dus: hadden we maar weer een nieuw groot verhaal.

Maar dan wel een verhaal dat strookt met mijn wereldbeeld en idealen. Want zo is dat natuurlijk ook wel weer met grote verhalen: je moet het juiste verhaal hebben, en alle anderen moeten meedoen in dat verhaal – het is buigen of barsten. Ik kan er urenlang over nadenken, en altijd weer in die paradox eindigen. Ik wil een volmaakte wereld, maar om die staat van volmaaktheid te bereiken moeten andere zich gewonnen geven. Goedschiks of kwaadschiks.

Zijn het bovendien ook niet juist de grote verhalen van anderen die ons nu angst inboezemen? Wie leeft voor een alomvattend beeld van wat is en moet zijn, schrikt er niet voor terug de wereld met harde hand naar dat beeld te schikken. Geweld en terreur gaan niet zelden gepaard met een beroep op een groter verhaal. Iets dat boven de mens uitstijgt en het individuele menselijke leven daarmee aan zich ondergeschikt maakt. Het werd de afgelopen week weer pijnlijk duidelijk.

Het luistert nauw, bij de grote verhalen. Je schrijft niet gemakkelijk je eigen alinea erbij; of een epiloog, om het verhaal een jou welgevallig einde te bezorgen. Er wordt buitengesloten en afgebroken – in het groot en in het klein – alles omwille van de zuiverheid van het verhaal. Zelfs wie meenden deelgenoot te zijn in het verhaal, kunnen er plotsklaps buiten staan indien te licht bevonden.

Nee, grote verhalen zijn ook niet alles.

Dus, bedacht ik me zo, dan maar een klein verhaal. Klein, maar waar tegelijkertijd heel veel mensen inpassen. Klein, maar met de hoop – geloof, zo je wilt – op iets groters. Iets van weinig woorden, dat je altijd bij je kunt dragen. Meer iets in de trant van:

Niet bang zijn hè, als het straks donker wordt.
En lief zijn voor elkaar.

Dus: zullen jullie lief zijn voor elkaar?

een nieuw groot verhaal

Het postmodernisme heeft zijn beste tijd gehad. Als er ooit al sprake was van een ‘beste tijd’, want ook daarover verschillen de meningen (‘de kleine verhaaltjes’, zo u wilt). Maar intussen plukken we er nog wel de bittere vruchten van. Want de grote verhalen zijn – voor de meeste mensen althans – onherroepelijk gesneuveld. En nieuwe zijn niet zomaar voorhanden. We doen maar wat, met z’n allen, ‘dolende als schapen zonder herder’.

Zie het vluchtelingenvraagstuk. Vraagstuk ja, want ik weiger te geloven dat het een crisis is. Die crisis zit in ons, in onze samenleving. In het gebrek aan grote verhalen. In het enige dat overblijft: de losse zandgrond van emoties en heus-wel-goede-bedoelingen. Het brengt ons niets meer dan woede en onmacht, de druktemakerij om het eigen nietige ik. Niet verder dan het morele superioriteitsgevoel van de naïeve kosmopoliet (waartoe ik me zelf gemakshalve ook maar even reken).

Wanneer ons geen fundament meer rest om onze toekomstplannen op te bouwen, om onze goede bedoelingen mee te rechtvaardigen, dan is ook de rede uitgesproken. Dan is het mijn kleine verhaal tegen jouw kleine verhaal, mijn mening – opgebouwd uit betekenisloze woorden, niet meer dan losse hulzen – tegen die van de ander. Dan is het wie het hardste brult (een dreunende gong, schelle cimbaal) tegenover de langste middelvinger.

Het is huizen bouwen op zand – gedoemd te mislukken.

Welke kunstenaar weet het onzichtbare weer zichtbaar te maken, welke denker weet het onuitsprekelijke weer onder woorden te brengen? Welke politicus durft aanspraak te maken op de verbeelding van een gezamenlijke toekomst, welke leidsman geeft ons weer een idee van samenhang?

Wie geeft ons weer een nieuw groot verhaal?

Zandkastelen

Ergens in een dorp, ver hier vandaan, speelden de kinderen graag in zandbakken. Elke straat had wel een eigen zandbak, de een wat groter dan de ander, en die weer wat drukker bezet dan de volgende. In sommige zandbakken maakten de kinderen in zuivere harmonie de prachtigste zandkastelen, maar in de armere buurten kwam het regelmatig voor dat sommige kinderen alleen maar ruzie maakten en met zand aan het gooien waren. Dat leidde er dan ook vaak toe dat kinderen besloten naar een andere zandbak te gaan, waar geen ruzie was. Soms gingen ze dan helemaal naar de villawijk aan de rand van het dorp. Daar gingen de kinderen tenminste beschaafd met elkaar om, en wisten ze met gloednieuwe schepjes en felgekleurde emmertjes de prachtigste zandkastelen te maken. Bovendien hadden ze onderling de afspraak gemaakt dat ze altijd bij elkaar in de zandbak mochten spelen.

Natuurlijk, ook in de villawijk deed zich wel eens een incidentje voor. Pas nog, ergens in een straat in het zuiden van de wijk, hadden een paar kinderen bijna al het zand uit de zandbak gegooid. In de andere zandbakken in de buurt werden toen verwoede discussies gevoerd over een passende oplossing. Sommige kinderen wilden wel met de hand over het hart strijken, en wat zand afstaan om de boel weer aan te vullen. Anderen meenden dat het maar eens over moest zijn; het zand raakte op, en het was per slot van rekening niet de eerste keer. Uiteindelijk kwamen ze tot een soort halfslachtige oplossing, waar de meeste kinderen de details alweer van vergeten waren.

Maar nu kwam de bedreiging voor de zandbakken in de villawijk van buitenaf. De ruzie in een van de zandbakken ergens verderop in het dorp was dusdanig uit de hand gelopen, dat vrijwel alle kinderen besloten die zandbak te verlaten en hun geluk ergens anders te beproeven. Daardoor was er in andere zandbakken in de buurt nauwelijks plek meer. Steeds meer kinderen besloten het maar eens in de villawijk te proberen. Dat ze daarvoor een gevaarlijke drukke weg moesten oversteken namen ze maar op de koop toe. Ze droomden namelijk allemaal van reusachtige zandkastelen, en van nieuwe emmertjes en felgekleurde schepjes.

En nu leek er in de villawijk bijna ruzie te komen. Nee, er werd niet met zand gegooid – daarvoor waren de kinderen te netjes opgevoed. Maar ze schreeuwden dat het een lieve lust was. ‘Laat ze maar in de zandbakken in hun eigen buurt blijven!’ riep een klein blond jochie stampvoetend. ‘Onze zandbak is vol, en er staan bovendien al kinderen werkeloos toe te kijken vanaf de kant, omdat er niet genoeg schepjes en emmertjes zijn voor iedereen. En je kunt de kinderen uit die buurt ook helemaal niet vertrouwen; sommigen willen onze zandkastelen alleen maar kapot maken.’ Een mollig meisje dat de dienst leek uit te maken in een van de grootste zandbakken in de villawijk kwam tot een andere conclusie: ‘Er kunnen er hier best nog wel een paar bij.’ Een beetje opschikken hier en daar, en er waren ook kinderen bereid hun emmertje of schepje met iemand te delen.

Pas waren de kinderen in de villawijk opgeschrikt. Ze hadden gehoord dat er een kind was verongelukt bij de gevaarlijke drukke weg die de villawijk van de rest van het dorp scheidde. Sommige kinderen huilden toen ze het bericht hoorden. Een klein jochie met een zowat kaal hoofd stond echter een hoop stampij te maken. Hij begreep niet dat een vader zijn kind zomaar onbeschermd die weg liet oversteken. Een paar weken daarvoor had hetzelfde jochie nog betoogd dat die weg helemaal niet gevaarlijk was. Hij was er zelf wezen kijken, en iedereen die hem niet geloofde schold hij uit voor domme lul.

Maar zelfs na het ongeluk – dat overigens zeker niet het eerste was – wisten de kinderen van de villawijk geen oplossing te verzinnen. Ook geen halfslachtige. En dat terwijl de tijd begon te dringen. Want stel je voor dat zelfs de kinderen in de villawijk met zand zouden gaan gooien. Naar kinderen uit andere buurten, of misschien zelfs wel naar elkaar…

© Beeld: fotologic

De strijd om digitale veiligheid in Europa

Wie vandaag de dag nadenkt over veiligheid zal daar de digitale wereld in moeten betrekken. Ook in Europa is men zich daarvan bewust. Al jaren wordt er in de EU gewerkt aan wetgeving op het gebied van cybersecurity en gegevensbescherming. Wat is het doel, en tegen welke prijs?

In de cybersecurity-strategie voor de komende jaren weet de Europese Commissie het overtuigend te brengen: de kosten voor de Europese Unie bij het ontbreken van een Europees cybersecuritybeleid worden geschat op ongeveer 3,5 miljard euro per jaar. Denk daarbij aan zaken als schade door digitale fraude, maar bijvoorbeeld ook het kunnen hinderen of platleggen van betalingsverkeer of informatiesystemen waardoor bedrijven niet meer naar behoren kunnen functioneren en inkomsten mislopen. Actie is dus vereist, anders gaat het de Europese burger een hoop geld kosten.

Ook het veiligheidsgevoel van de burgers speelt mee. Uit een onderzoek dat de Europese Commissie in 2012 liet uitvoeren bleek dat 40% van de Europese burgers bang is dat hun digitale persoonlijke gegevens gestolen worden en een ongeveer even grote groep burgers is bezorgd over de veiligheid van online betalingen. De bezorgdheid van burgers is zeker niet ongegrond. Zo is het aantal cyberincidenten tussen 2010 en 2014 vervijfvoudigd. Een incident dat veel aandacht kreeg was ‘Heartbleed’, een programmeerfout die leidde tot een lek in de beveiliging van onder meer webwinkels en routers.

14_15_Cybersecurity2

Subsidiariteit
Maar wat kan de Europese Unie daaraan doen? Moet die zich überhaupt wel met cybersecurity bezighouden? De Europese Commissie vindt van wel. Samenwerking op het gebied van cyberveiligheid heeft tot nu toe nog te weinig opgeleverd. Landen werken maar mondjesmaat samen, en het bedrijfsleven zit ook niet te springen om strengere regelgeving. Aan het subsidiariteitsprincipe wordt dus voldaan: cybersecurity kan niet meer enkel op nationaal niveau gegarandeerd worden.

Daarnaast moet Europese wetgeving ook een juridische basis hebben, op basis van het Verdrag van de Europese Unie. Voor die juridische basis van cybersecuritybeleid kiest de Europese Commissie de gemakkelijkste weg. En de gemakkelijkste weg voor Europese wetgeving is altijd via de interne markt. Op dat gebied heeft de Commissie namelijk het meest verstrekkende initiatiefrecht, en het is bovendien het minst controversiële domein van Europese wetgeving. Had de Commissie zich bijvoorbeeld willen baseren op het artikel over burgerrechten en veiligheid, dan was het veel lastiger geworden aangezien dat typisch een thema is waar lidstaten zelf volledige zeggenschap over willen houden.

De digitale markt
De interne markt dus, om precies te zijn de ‘digital single market’. Deze digitale eengemaakte markt is een van de strategische kernthema’s in het Europa 2020 programma (een beleidsprogramma waarin de strategie voor de EU tot 2020 is uitgewerkt). Dat is uiteraard niet vreemd in een tijd waarin de economie meer en meer afhankelijk is van digitale informatienetwerken. Dan denk je wellicht direct aan zaken als online shoppen en internetbankieren, maar de digitale economie reikt verder dan dat. Zo zijn ook steeds meer van de zogenaamde ‘kritieke infrastructuren’ (zoals energielevering, watervoorziening, maar ook transport- en havenbedrijven) afhankelijk van digitale netwerken.

Maar, zo kun je je afvragen, is de Europese burger wel gebaat bij zo’n marktgeoriënteerd cybersecuritybeleid? Die vraag verdient een genuanceerd antwoord. Om te beginnen moet de potentiële schade van cyberincidenten niet onderschat worden. Zoals genoemd kan de economische schade flink oplopen. Maar denk ook aan veiligheidsrisico’s die zich voordoen op het gebied van digitale spionage of cyberaanvallen door andere landen of terroristische groeperingen. In dat opzicht zijn Europese burgers zeker gebaat bij de huidige koers op het gebied van cybersecurity.

14_15_Cybersecurity4

Veiligheid versus privacy
Maar er is een keerzijde. De nadruk lijkt wel heel erg op die economische belangen gelegd te worden. En natuurlijk op nationale overheden, omdat die hun burgers moeten beschermen – ook in de digitale wereld. Maar een aspect dat grotendeels genegeerd wordt, is hoe bedrijven en overheden zelf omgaan met de informatie die ze in handen hebben, en dan met name data van burgers. Het heikele punt is dat bedrijven noch overheden zitten te wachten op strengere wetgeving op dit gebied. Privacy wordt op deze manier weer eens uitgespeeld tegen veiligheid én tegen economische belangen.

Een tekenend voorbeeld daarbij zijn de eindeloze onderhandelingen over de General Data Protection Regulation. Al in 2012 deed de Europese Commissie een voorstel voor deze wet op gegevensbescherming, die de verouderde variant uit 1995 moet vervangen. Begin 2014 nam het Europees Parlement een resolutie aan met ruim 200 amendementen op het wetsvoorstel. Recent heeft de Raad van ministers een compromis bereikt over het wetsvoorstel, maar naar verwachting kan het nog wel een jaar duren voor de Europese instituties onderling tot een overeenkomst komen.

Moeizame onderhandelingen
Wat maakte de onderhandelingen over deze wet op gegevensbescherming zo moeilijk? Allereerst het extreem hoge aantal amendementen dat door Europarlementariërs werd ingediend. Dat vertraagde de besluitvorming op zich al, maar later bleek ook nog eens dat de helft van de amendementen letterlijk overeenstemde met voorgestelde amendementen in lobbypapers van bedrijven als Facebook en Amazon, en zelfs de Amerikaanse kamer van koophandel. In dit geval ging het allang niet meer om veiligheid versus privacy, maar leek privacy vooral gepasseerd te worden omwille van het economisch gewin.

Zie ook deze onthullende uitzending van het Vlaamse tv-programma Panorama:

In Europese context hoeven we op korte termijn weinig te verwachten als het gaat om aandacht voor digitale burgerrechten. Dat is nu eenmaal een gevoelig thema binnen de Europese Unie. Lidstaten hebben tegengestelde belangen en wensen, en behouden het liefst zoveel mogelijk autonomie op alle terreinen die met veiligheid te maken hebben. Niet voor niets parkeert de Europese Commissie dergelijke thema’s onder het label ‘interne markt’, en niet voor niets proberen de ministers van de lidstaten momenteel de strenge eisen voor het verzamelen, opslaan en delen van data af te zwakken.

Kritisch blijven volgen
De vraag is dus wat de burger uiteindelijk opschiet met alle nieuwe wetgeving op het gebied van digitale veiligheid en gegevensbescherming. Uiteraard is de burger erbij gebaat dat online betalingsverkeer veilig kan plaatsvinden, dat digitale systemen die energietransport mogelijk maken niet door kwaadwillende hackers worden stilgelegd, enzovoorts. Maar hoe veilig is een digitale wereld waar de privacy van burgers niet of onvoldoende gewaarborgd is?

Als onze digitale veiligheid ons wat waard is, zullen we de onderhandelingen kritisch moeten blijven volgen. Politici zijn binnen het domein van cybersecurity keer op keer gezwicht voor economische of strikt nationale belangen. Maar die belangen stemmen niet noodzakelijk overeen met de belangen van de burgers die deze politici dienen te vertegenwoordigen. De enige manier om het tij te keren is het keer op keer laten horen van een kritisch tegengeluid. Zolang we onze digitale rechten niet zelf opeisen, moeten we ook niet vreemd opkijken als de politiek ze verkwanselt ten behoeve van het bedrijfsleven.

Dit essay verscheen eerder in Interruptie, het ledenblad van het CDJA. Beeld: Tactical Technology Collective (Flickr creative commons)